A flower does not compete with the flower next to it, it just blooms.

Soms vraag ik me af waarom het zo moeilijk is om gewoon tevreden te zijn met wie ik ben. Waarom ik zo gemakkelijk naar anderen kijk en vervolgens naar mezelf, en in dat kleine moment van vergelijken ineens het gevoel kan krijgen dat ik niet genoeg ben. Alsof de ander iets heeft wat ik mis, alsof haar schoonheid iets zegt over mijn eigen tekortkomingen, alsof haar talent, haar zelfvertrouwen, haar manier van leven of de plek waar zij staat, automatisch betekent dat ik zelf ergens achterloop.

Het is bijzonder hoe snel onzekerheid zich naar binnen kan werken. Soms begint het met iets kleins. Ik zie iemand die mooi is, iemand die iets goed kan, iemand die vol overtuiging haar plek inneemt, en zonder dat ik het bewust besluit, begin ik mezelf met haar te vergelijken. Voor ik het weet, kijk ik niet meer naar wie ik zelf ben, maar vooral naar wie ik denk dat ik zou moeten zijn.

En juist daarom raakt deze zin mij zo:

“A flower does not compete with the flower next to it, it just blooms.”

Wanneer ik naar dit schilderij kijk, zie ik drie vrouwen, ieder met haar eigen uitstraling, haar eigen kleuren en haar eigen bloemen. Geen van hen ziet er hetzelfde uit en toch hebben ze allemaal iets moois. De ene bloem is niet mooier omdat de andere anders is. De ene hoeft niet groter te worden, feller te kleuren of meer aandacht te krijgen om bestaansrecht te hebben.

En ergens voel ik dat God mij hierin iets wil leren.

Want hoe vaak probeer ik mezelf niet te meten aan anderen? Hoe vaak kijk ik naar iemand anders en denk ik: Kon ik dat maar. Was ik maar zo. Had ik maar haar zelfvertrouwen, haar uiterlijk, haar talent, haar geloof, haar rust… En ondertussen vergeet ik dat God mij helemaal niet heeft geroepen om haar te zijn.

De Bijbel zegt in Psalm 139:14: “Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben.” Dat is een zin die prachtig klinkt, maar die soms best moeilijk te geloven is wanneer je vooral ziet wat er volgens jezelf nog aan je ontbreekt.

Toch denk ik dat geloven dat ik wonderlijk gemaakt ben niet betekent dat ik mezelf iedere dag geweldig moet vinden. Het betekent misschien juist dat ik mag leren kijken naar mezelf door de ogen van mijn Maker, in plaats van door de ogen van mijn onzekerheid.

God heeft mij niet per ongeluk gemaakt. Hij heeft geen vergissing gemaakt toen Hij mij mijn karakter gaf, mijn uiterlijk, mijn gaven, mijn kwetsbaarheden en zelfs de dingen die ik zelf liever anders zou zien. Ik hoef niet eerst een verbeterde versie van mezelf te worden voordat ik waardevol ben.

En misschien is dat wel één van de moeilijkste dingen om te leren: dat ik niet hoef te concurreren om geliefd te zijn.

Er is geen wedstrijd waarin maar één vrouw mag bloeien.

De bloem naast mij mag prachtig zijn. Ze mag groeien. Ze mag gezien worden. Ze mag ruimte innemen. Ze mag schitteren. En dat betekent niet dat er voor mij minder overblijft.

Haar licht dooft het mijne niet.

Haar schoonheid maakt mij niet minder mooi.

Haar succes betekent niet dat ik gefaald heb.

Haar verhaal maakt mijn verhaal niet minder waardevol.

Misschien moet ik daarom stoppen met mezelf steeds af te vragen of ik wel genoeg ben en beginnen te vragen: Waar heeft God mij geplant? En durf ik daar te bloeien?

Want een bloem kijkt niet naar de bloem naast haar en denkt: Ik moet eerst net zo worden als jij. Een bloem doet wat God haar heeft gemaakt te doen. Ze groeit naar het licht, opent zich wanneer de tijd daar is en bloeit met de kleur die haar gegeven is.

Misschien mag ik dat ook leren.

Niet alles hoeft perfect te zijn voordat ik mag bloeien. Ik hoef niet alle onzekerheid eerst kwijt te raken. Ik hoef niet opeens ontzettend zelfverzekerd te zijn. Misschien mag ik zelfs bloeien midden in mijn onzekerheid, terwijl ik nog steeds leer om mezelf lief te hebben en terwijl ik soms nog steeds geneigd ben om naar anderen te kijken en mezelf tekort te doen.

Want uiteindelijk gaat het er niet om dat ik nooit meer onzeker ben.

Het gaat erom dat mijn onzekerheid niet langer bepaalt hoeveel ruimte ik mezelf geef.

Dat ik mezelf niet kleiner maak omdat iemand anders groter lijkt.

Dat ik mijn bloemen niet wegstop omdat ik denk dat die van een ander mooier zijn.

En misschien fluistert God juist daarin heel zacht:

Je hoeft haar niet te zijn.
Je hoeft niet meer te zijn.
Je hoeft alleen te zijn wie Ik jou gemaakt heb.

Dus misschien kijk ik vanaf vandaag anders naar de bloemen om mij heen. Niet meer als een herinnering aan alles wat ik niet ben, maar als een herinnering aan hoe mooi het is dat we allemaal verschillend zijn.

En wanneer ik mezelf weer betrap op vergelijken, wil ik proberen om terug te keren naar deze ene gedachte:

Ik ben niet te laat.
Ik ben niet minder.
Ik ben niet vergeten.
Ik ben precies hier geplant.

En misschien is dit mijn gebed:

God, help mij om mezelf te zien zoals U mij ziet. Help mij om niet langer mijn waarde af te meten aan de mensen om mij heen. Geef mij de moed om mijn eigen kleuren te dragen, mijn eigen plek in te nemen en te vertrouwen op het werk dat U in mij begonnen bent. Leer mij om niet te vechten om gezien te worden, maar eenvoudigweg te bloeien waar U mij geplant hebt.

Want uiteindelijk hoeft een bloem niet de mooiste bloem van de tuin te zijn.

    Ze hoeft alleen maar te bloeien.